Juridisch een dikke buis — over de vergunningenfuik van de Vlaamse Regering
Het is examenperiode, dus laten we het voorontwerp van decreet dat de Vlaamse Regering op 29 mei 2026 principieel goedkeurde — de eerste decretale vertaling van de aangekondigde “vergunningenrevolutie” — eens verbeteren zoals een examenkopij. Het eerlijke resultaat: enkele vakken ruim geslaagd, maar op de hoofdvakken een dikke buis. Gelukkig voorziet het wetgevingstraject in een tweede zit.
De geslaagde vakken
Eerst wat goed is, want dat is er wel degelijk. Het decretaal recht op kosteloos vooroverleg, de pauzeknop waarmee een aanvrager zijn project kan bijsturen zonder herstart, het geïntegreerd advies en de wijzigingslus: dat zijn maatregelen die de kwaliteit van de besluitvorming verhogen. Wie betere beslissingen wil, begint daar. Was het voorontwerp daarbij gebleven, dan verdiende het een onderscheiding. Maar…

Gebuisd op de probleemstelling
Wie op een examen de vraag verkeerd leest, kan geen juist antwoord geven. De hervorming vertrekt van het beeld dat vergunningsprocedures massaal worden gegijzeld door beroepsindieners — verzuurde burgers en verenigingen die projecten zonder juridische grond willen tegenhouden. De officiële cijfers vertellen een ander verhaal.
In Vlaanderen worden jaarlijks om en bij de 88.000 omgevingsvergunningsaanvragen ingediend. Tegen amper 4,9% van de beslissingen wordt administratief beroep ingesteld. Slechts ongeveer één beslissing op tachtig bereikt ooit de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en op het geheel van alle aanvragen en beslissingen bedraagt het vernietigingspercentage — het cijfer komt van de Dienst van de Bestuursrechtscolleges zelf — een half procent. De gemiddelde doorlooptijd bij de Raad zakte bovendien naar 10,7 maanden.
Maar nu het cijfer dat telt: van de kleine fractie beslissingen die wél door een onafhankelijke rechter wordt getoetst, wordt veertig procent vernietigd. Vier op de tien. Wie die twee cijfers naast elkaar legt — vrijwel niemand procedeert, en wie procedeert krijgt in 40% van de gevallen gelijk — kan maar één conclusie trekken: Vlaanderen heeft geen probleem van procederende burgers, het heeft een probleem van onwettige beslissingen. Dat is geen procedureprobleem, dat is een kwaliteitsprobleem. En daarbij past de bedenking: die 40% omvat ook beroepen van aanvragers tegen weigeringen — het zijn dus evengoed ondernemers en bouwheren die hun gelijk halen. De rechter beschermt geen kamp; hij toetst het recht dat de overheid nota bene zelf heeft geschreven.
Of, in de woorden van Vlaams minister Zuhal Demir bij de opening van het gerechtelijk jaar van de bestuursrechtscolleges, in oktober 2025: “De Raad corrigeert niet om te pesten, maar om te beschermen. Wie gelijk heeft, moet dat kunnen halen. Ook tegenover de overheid. En wie goed bestuur voert, heeft niets te vrezen van controle.” Twee maanden later besliste dezelfde regering dat de toegang tot die controle een fuik moest worden.
Gebuisd op Belgisch grondwettelijk recht
Want een fuik is het. Wie naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen wil, moet onder het voorontwerp eerst een verzoek tot herziening indienen bij de overheid die de beslissing zelf nam: binnen vijftien dagen op straffe van verval, tegen 100 euro dossiertaks. Die overheid mag volstaan met “een algemene verwijzing naar de motivering van de bestreden beslissing”, en haar stilzwijgen geldt na 45 dagen als afwijzing. Bij de Raad kunnen daarna enkel nog de onwettigheden worden aangevoerd die in het herzieningsverzoek stonden. Wat u op dag zestien bedenkt, bestaat juridisch niet meer.
Dit is een herexamen over leerstof die de decreetgever al eens niet beheerste. Het Grondwettelijk Hof vernietigde in 2023 de attentieplicht en de relativiteitseis die in het Vlaamse bestuursprocesrecht waren ingevoerd (GwH 11 april 2023, nr. 59/2023): middelen moeten ten gronde worden onderzocht. Wat nu voorligt is dezelfde drempel in een ander kleedje — niet langer bij de rechter, maar vooraan in de procedure ingebouwd. De constructie is vernuftiger; de vraag of ze de toets van het Hof overleeft, is dezelfde gebleven.
Gebuisd op Europees recht
De memorie van toelichting verdedigt de fuik met het arrest-Protect van het Hof van Justitie (HvJ 20 december 2017, C-664/15) en citeert daaruit de overwegingen 88 tot 90: een vervalregel kán gerechtvaardigd worden. Wat de memorie niet vermeldt, is het dictum van datzelfde arrest: het Hof oordeelde dat het Verdrag van Aarhus zich in die zaak verzette tegen de Oostenrijkse vervalregel waardoor wie niet tijdig bezwaren had geformuleerd, zijn toegang tot de rechter verloor. Wie op een examen enkel de overwegingen citeert die hem goed uitkomen en het dictum wegmoffelt, verliest punten op bronvermelding.
Strenger nog is het arrest Commissie/Duitsland (HvJ 15 oktober 2015, C-137/14). Het Hof aanvaardt uitdrukkelijk dat een lidstaat verplicht “alle bestuurlijke beroepswegen uit te putten alvorens beroep bij de rechter te mogen instellen” — tot daar wint de decreetgever. Maar in dezelfde overweging: het Unierecht staat niet toe “dat de middelen die door die verzoeker tot staving van zijn beroep bij de rechter kunnen worden aangevoerd, worden beperkt”. Duitsland werd voor exact zo’n middelenbeperking veroordeeld. Voor alle projecten die onder de MER-richtlijn of de Richtlijn industriële emissies vallen — in de praktijk net de grote, betwiste dossiers — staat de Vlaamse middelenfuik dus haaks op vaste Europese rechtspraak.
Tweede zit
Het voorontwerp is niet definitief: de adviesronde bij SARO, Minaraad, MORA, VVSG, VVP en de Vlaamse Toezichtcommissie loopt, daarna volgen de Raad van State en het parlement. Tijd genoeg om te herkansen, en de leerstof is bekend. Behoud de kwaliteitsmaatregelen — die zijn geslaagd. Maar herwerk het voorportaal tot een echt rechtsmiddel: een werkbare termijn in plaats van vijftien dagen, geen dossiertaks op de toegang tot herziening (of minstens verrekening bij gegrondheid), een echte motiveringsplicht in plaats van de wettelijk toegelaten standaardzin, en schrapping van de middelenfuik, minstens voor MER- en RIE-plichtige projecten. En vooral: investeer in wat de memorie van toelichting zelf erkent — betere besluitvorming leidt tot minder vernietigingen. Dat is de enige “robuustheid” die een rechtsstaat die naam waardig verdraagt: niet minder controle, maar minder reden tot correctie.
Een vergunningsbeleid dat zijn eigen toetsing bemoeilijkt, lost zijn examen niet op — het verstopt zijn rapport.
Deze nieuwsbrief is gebaseerd op het voorontwerp van decreet en de memorie van toelichting zoals principieel goedgekeurd op 29 mei 2026 (VR 2026 2905 DOC.0552), de kerncijfers 2024-2025 van de Dienst van de Bestuursrechtscolleges en de indicatoren van het Departement Omgeving. De ontwerpteksten kunnen nog wijzigen. Vragen of bedenkingen? Contacteer ons: Jens.Joossens@jurisens.be.